Boeken van Jack Molenaar

Mijn vierde boek met de titel "BEDROGEN" verschijnt eind 2018. Een voorproefje vindt u hieronder. Dit hoofdstuk is een keerpunt in het verhaal. Het luidt de uiteindelijk ontknoping in. In de hierna volgende hoofdstukken wordt duidelijk wie de geheimzinnige Chang Dai is die verantwoordelijk wordt gehouden voor de toenemende criminaliteit in Nederland en de verschuivende belangen in de drugsmarkt. Hoofdpersoon Peter Vermeer vindt eindelijk zijn vriendin die wekenlang gevangen is gehouden, samen met zijn 4 jaar oude zoontje. In dit nieuwe boek volgen momenten van ontroering, spanning en euforie elkaar op. 

 

Hoofdstuk 33.

 

Ze trok de jongen aan zijn handje omhoog. ‘Kom, Timo, daar kunnen we uitrusten.’ Hij gehoorzaamde zonder morren. Met de lantaarn in haar linkerhand en de hand van jongen in haar andere, liep ze voetje voor voetje naar het kamertje. De sliert van een oude spinrag streek langs haar gezicht. Ze schrok en spuwde iets uit dat door haar open mond naar binnen was gekomen. Overal om haar heen klonk het geritsel van wegvluchtend ongedierte. Ze hoorde ze, maar kon ze niet zien.

Alsof het zo was afgesproken, verscheurde een bliksem de hemel. Het gebeurde toen ze op de drempel van het kamertje stonden. De jongen stond naast haar, nog altijd haar hand stevig omklemd. Ze merkte hoe zijn handje trilde en was trots op hem: hij gaf geen kik.

Hij voelde de spanning die Tineke ervoer en staarde naar de vuile ramen waar de heen en weer zwiepende takken een schimmenspel opvoerden. Een donderslag liet de ramen trillen. Even later beroerde een windvlaag haar haren. Weer hoorde ze een geluid, misschien van een dier, misschien een mens. Was hier nog iemand? Misschien een junk die hier net als zij onderdak had gevonden?

Ze probeerde haar angst van zich af te schudden. De regen verspreidde zich als een vochtige damp door het huisje, waardoor de geur van rottend hout zich vermengde met urine en vochtige aarde.

Haar handen waren glad van het zweet. Ze zette haar vinger op de knop van de lantaarn en knipte het licht kort aan. Een rat stoof voor haar voeten weg, twee vlogen op haar af. De jongen gilde. Ze liet de lantaarn vallen. Haar blaas kon het nu elk moment begeven.

De jongen jammerde en klemde zich vast aan haar benen. Met moeite bedwong ze de neiging om naar buiten te vluchten en het onweer te trotseren. Buiten ging de wind bijna onmerkbaar over in een storm.

Het geluid van brekende takken en het gebulder van de storm vulden het huisje. Door de vervuilde ramen zag ze de takken vallen terwijl de regen tegen het gebarsten glas kletterde.

Opeens werd in het grijs van het smerige glas een gedaante zichtbaar. Het felle licht van een lantaarn streek langs de ramen en verblindde haar gedurende een kort moment. Iemand naderde het huisje.

Het was een man, hij riep iets.